De basisprincipes van training

Training is het systematisch toedienen en verhogen (verzwaren) van functionele prikkels (= trainingsarbeid) met de bedoeling om te komen tot prestatieverhoging/verbetering.
In de sport verstaat men onder training de voorbereiding van de sporter. De training omvat dan ook alle onderdelen uit de voorbereiding:

- conditioneel aspect: heeft betrekking op de motorische grondeigenschappen
  kracht, snelheid, beweeglijkheid en uithoudingsvermogen
-
technisch aspect: heeft te maken met de bewegingstechniek
- tactisch aspect: betreft gedragstechniek ten opzichte van tegenstanders
- mentaal aspect: heeft betrekking op de eigenschappen van de wil

Biologische wetten

Als je gaat trainen, heb je steeds te maken met drie biologische wetmatigheden: overload, specifiek en reversibiliteit:

Overload
Prestatieverhogende effecten worden alleen bereikt als de trainingsprikkel (belasting) voldoende is geweest om energie en stofwisselingsprocessen te activeren. Omdat het organisme zich snel aan de omstandigheden aanpast, zal de belastingprikkel steeds moeten worden verhoogd. Er moet dus sprake zijn van "overload".
Als het evenwicht wordt verstoord, zal het lichaam zich steeds opnieuw aanpassen.

Specifiek
Aanpassing is altijd specifiek. Alleen de organen die trainingsbelasting hebben ondergaan, zullen zich aanpassen.

Reversibiliteit (=omkeerbaarheid)
De prestatieverhogende veranderingen in het lichaam, verkregen tijdens een trainingsperiode, worden na het stopzetten van de trainingen weer teruggebracht naar de beginsituatie.

Uit deze drie biologische wetmatigheden is een aantal trainingsmethodische belastingprincipes afgeleid:

1. stijgend belasten
2. continu belasten
3. algemeen en specifiek belasten (wedstrijdbeweging)
4. periodiseren en cyclisch organiseren van het trainingsproces

Periodiseren en cyclisch organiseren van het trainingsproces is eigenlijk niets anders dan spelen met de trainingsomvang en intensiteit. Belasting en herstel moeten goed op elkaar zijn afgestemd.
Om prestatieverhogende veranderingen te bewerkstelligen, moeten trainingsprikkels vele malen worden herhaald. Deze herhaling moet wel op het juiste moment plaatsvinden, dus na een bepaalde hoeveelheid rust (herstel).

Wanneer welke trainingsarbeid

Het is van belang te weten op welk moment welke trainingsbelasting mag plaatsvinden. Alleen als dit op de juiste manier wordt gedoseerd, kan er sprake zijn van verbetering van de presatatie.

Situatie 1: geen verandering
De volgende trainingsarbeid wordt uitgevoerd als de overcompensatie van de vorige inspanning is verdwenen: het (functionele) niveau verandert niet.

Situatie 2: verslechtering
De volgende trainingsarbeid wordt uitgevoerd als het herstel van de vorige inspanning nog niet is voltooid, het (functionele) niveau vermindert. 

Situatie 3: verbetering
De volgende trainingen worden, onder geleidelijke verhoging van het inspanningsniveau, gedaan in de fase van overcompensatie: de functionele mogelijkheden verhogen zich. 

Situatie 4: supercompensatie
Trainingen vinden plaats als het herstel nog niet is voltooid (zie Situatie 2). Echter, nu worden de inspanningen slechts enkele malen herhaald waarna een langere rustpauze wordt gehouden: dit leidt tot supercompensatie